Skip to content

Just Transition Scan 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

Beeld: Ely Astorga

Reset.Vlaanderen brengt met haar jaarlijkse ‘Just Transition Scan’ het verloop van de transitie in België in kaart. In maart 2026 publiceerden we onze derde Just Transition Scan: “Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas”.

De scan bestaat uit twee delen: Met de Vlaamse donut tonen we voor het eerst hoe ver Vlaanderen verwijderd is van een samenleving die tegelijk sociaal en ecologisch duurzaam is. Daarnaast gingen we voor vier thema’s – wonen en energie, koolstofneutrale en circulaire industrie, gezonde leefomgeving en groene mobiliteit – na of de transitie bezig is en hoe rechtvaardig deze verloopt.

De Vlaamse donut

De Vlaamse donut beantwoordt de vraag waar we naartoe moeten.

Ze schetst een bredere definitie van welvaart en toont hoe ver Vlaanderen vandaag verwijderd is van een samenleving die tegelijk sociaal en ecologisch duurzaam is.

Het is een breed, geïntegreerd kompas voor welvaart op de lange termijn.

Dashboards: de rechtvaardige transitie per domein


Zonder een gedeelde, datagedreven basis blijft het debat over de rechtvaardige transitie versnipperd en anekdotisch. Er bestaat vandaag geen samenhangend overzicht voor Vlaanderen dat zowel de sociale als ecologische dimensies van de transitie systematisch in beeld brengt en met elkaar verbindt.

Daarom ontwikkelden we vier thematische dashboards over de rechtvaardige transitie naar een samenleving binnen de donut. Voor de thema’s wonen en energie, koolstofneutrale en circulaire industrie, gezonde leefomgeving en groene mobiliteit, beantwoorden de dashboards de vraag of we de goede richting op gaan, en of we dat samen doen.

Proces

Reset.Vlaanderen brengt met de Just Transition Scan de rechtvaardige transitie in België in kaart, met de Vlaamse donut en thematische dashboards.

Vorige scans

Met financiële steun van:

JUST TRANSITION SCAN 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

DashboardS

De rechtvaardige transitie per domein

Beeld: Rawpixel on Freepik

In de Just Transition Scan 2026 volgt Reset.Vlaanderen voor het eerst de rechtvaardige transitie in Vlaanderen systematisch op aan de hand van vier thematische dashboards: energiezuinig, betaalbaar en comfortabel wonen, werken binnen een circulaire en koolstofneutrale economie, een gezonde leefomgeving voor iedereen en betaalbare groene mobiliteit voor iedereen

De Vlaamse donut vertelt waar we naartoe moeten. In de thematische dashboards vind je dan weer alle data over de transitie daar naartoe. Via de tabbladen navigeer je naar de gewenste info. Je vindt er ook de data over de invulling van de donut en de berekeningen die we maakten om tot onze conclusies te komen.

Energiezuinig, betaalbaar en comfortabel wonen

Een energiezuinige, betaalbare en comfortabele woning is geen luxe, maar een voorwaarde om mee te kunnen in de transitie. In Vlaanderen daalt de uitstoot van woningen en winnen warmtepompen, renovaties en zonnepanelen terrein. Goed nieuws, maar deze voordelen komen vandaag nog vooral nog terecht bij wie al eigendom en kapitaal heeft. Wie huurt of met een lager inkomen rondkomt, botst sneller op hoge woon- en energiekosten, zonder dezelfde mogelijkheden om over te stappen naar fossielvrije alternatieven.

In dit thema verkennen we hoe de woontransitie vordert, wie vandaag dreigt achter te blijven en welke keuzes nodig zijn om ons woonbeleid echt sociaal te maken.

Werken binnen een circulaire en koolstofneutrale economie

De omslag naar een koolstofneutrale en circulaire economie bepaalt hoe duurzaam en rechtvaardig onze toekomstige welvaart zal zijn. In Vlaanderen dalen de emissies van energie en industrie en groeien jobs in hernieuwbare energie en circulaire sectoren, maar tegelijk blijven grote stromen publiek geld de oude fossiele modellen in stand houden. Wie vandaag werkt in sectoren onder druk, krijgt bovendien weinig garanties over jobkwaliteit, omscholing en inspraak in transitieplannen.

In dit thema kijken we hoe ver de omslag richting een klimaatneutrale en circulaire economie staat, welke belangen en ongelijkheden daarbij spelen en welke keuzes nodig zijn om groene investeringen te koppelen aan rechtvaardige arbeid en een slimme inzet van belastinggeld.

Een gezonde leefomgeving voor iedereen

Een gezonde leefomgeving is een basisvoorwaarde voor welvaart en gelijke kansen. Luchtkwaliteit, geluid, hittestress, voldoende groen en bescherming tegen klimaatrampen bepalen mee hoe lang en hoe gezond we leven, maar niet iedereen in Vlaanderen krijgt dezelfde bescherming. Zo worden kwetsbare buurten en lagere inkomens vaker blootgesteld aan luchtvervuiling, hitte en geluid.

In dit thema verkennen we hoe onze leefomgeving evolueert, waar de gezondheidskloof groeit en welke keuzes nodig zijn om bescherming tegen milieu- en klimaatrisico’s eerlijker te verdelen.

Betaalbare en groene mobiliteit voor iedereen

Groene mobiliteit bepaalt of mensen vlot en op een duurzame manier op het werk, zorgbestemmingen en vrije tijd raken. Duurzamere verplaatsingen winnen terrein, maar de manier waarop we ons vandaag organiseren, met een dominante auto-infrastructuur en fiscale voordelen voor salariswagens, verdeelt kansen en lasten ongelijk. Wie geen auto of rijbewijs heeft, in een slecht bereikbare regio woont of afhankelijk is van beperkt openbaar vervoer, dreigt achter te blijven.

In dit thema verkennen we hoe de mobiliteitstransitie vordert, wie vandaag het meest betaalt voor ons huidige systeem en welke keuzes nodig zijn om verplaatsingen gezonder, betaalbaarder en eerlijker te maken.

Met financiële steun van:

JUST TRANSITION SCAN 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

Energiezuinig, betaalbaar en comfortabel wonen

> Download het rapport

Beeld: Dajana Oroz for ArtistsForClimate.org

Wat loopt goed?

De klimaattransitie in de woonsector is effectief bezig. De broeikasgasuitstoot van residentiële gebouwen daalt (zie figuur 1) , terwijl fossielvrije verwarming als warmtepompen en warmtenetten gestaag ingang vinden. Hetzelfde geldt voor zonnepanelen, die meer dan verdubbelden op vijf jaar tijd. Ook de woningkwaliteit verbetert globaal: het aandeel woningen in (zeer) slechte fysieke staat daalde van 13% in 2013 naar 9% in 2023.

figuur 1

Wat kan beter?

De baten van de transitie komen onevenredig terecht bij wie al kapitaal en eigendom heeft. Zo zijn zonnepanelen veel sterker aanwezig bij hogere inkomens (zie figuur 2). Zij maken ook vaker gebruik van renovatiesteun en -premies, en voor hogere bedragen, terwijl de woningen van lagere inkomens juist in slechtere staat zijn. Subsidies en fiscale voordelen schieten tekort voor kwetsbare groepen.

Energiearmoede blijft hardnekkig en schommelt al jaren rond hetzelfde cijfer. De onderste 10% van woningen in (zeer) slechte staat verandert nauwelijks, precies de woningen waar energiearmoede zich het sterkst manifesteert.

Figuur 2

Kwetsbare huurders zijn onvoldoende in beeld en beschermd. De betaalbaarheid van wonen vormt vooral voor private huurders, lagere inkomens en
eenoudergezinnen een groot risico (zie figuur 3). Verhuurders kunnen renovatiekosten doorrekenen in huurprijzen, terwijl woningkrapte elke echte keuzevrijheid voor huurders ontneemt.

Figuur 3

Welke info ontbreekt?


De EPC-databank geeft geen accuraat beeld over de energieprestatie van het hele Vlaamse woonpatrimonium. Daardoor kunnen we ook niet exact opvolgen hoe snel de renovatietransitie zich juist voltrekt, en welke groepen achterblijven of juist geholpen worden door gericht beleid. Ook de socio-economische verdeling van fossielvrije technologieën als warmtepompen wordt momenteel niet systematisch opgevolgd. 

Beleidsaanbevelingen

  1. Richt renovatiesteun vooral op de onderkant van de woningmarkt.
    Maak van de onderste 10% woningen in (zeer) slechte staat een expliciete prioriteit, met proactieve outreach naar kwetsbare eigenaars, ontzorgingsmodellen die praktische drempels wegnemen en hogere steunintensiteit. Premies zijn niet het beste instrument: zet sterker in op renovatiebegeleiding voor VME’s, collectieve renovaties en renovatieleningen.
  2. Richt een Collectieve Renovatiemaatschappij op.
    Een gecoördineerde aanpak van diepe wijk- en appartementsrenovaties biedt schaalvoordelen en is kostenefficiënter dan elke woning apart renoveren. Zo’n maatschappij ontwikkelt samen met gemeenten lokale renovatie- en warmteplannen, met volledige ontzorging en op maat gemaakte voorfinanciering, ook voor wie de investeringskost niet zelf kan dragen. Huurders worden expliciet beschermd via tijdelijke herhuisvesting en huurprijsregulering.
  3. Zorg ervoor dat huurders niet vast komen te zitten in een slechte energiesituatie, doordat ze zelf geen controle hebben over investeringen en beslissingen van de eigenaar.
    Versterk ook huurwetgeving zodat investeringen in energetische renovatie niet leiden tot verdringing via huurverhogingen.
  4. Schaal burgerenergiemodellen die energiearmoede aanpakken op.
    Voorzie structurele ondersteuning voor burgercoöperaties die werken met lage-inkomensgezinnen, huurders en bewoners van sociale woningen.

5. Investeer in bijkomende en energiezuinige sociale woningen en maak van sociale huisvesting een speerpunt van het woon- en klimaatbeleid. Versterk het actieve grondbeleid (publieke grondreserves, voorkooprechten, strategische verwerving) zodat toegang tot geschikte en betaalbare grond geen rem meer is op nieuwe projecten.

Figuur 4

JUST TRANSITION SCAN 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

Werken aan en in een koolstofneutrale en circulaire economie

> Download het rapport

Beeld: Joana Mundana for ArtistsForClimate.org

De klimaattransitie zal de arbeidsmarkt diepgaand hertekenen. Naar schatting 26% van de banen zal aanzienlijke gevolgen ondervinden, doordat ze nieuwe of verbeterde vaardigheden zullen vergen, of de vraag naar dat type jobs zal stijgen. Het gaat vooral over jobs in de circulaire economie, nutsbedrijven, de bouw en in mindere mate de maakindustrie. Bij- en omscholing is daarvoor noodzakelijk, maar de verdeling van de kansen en risico’s daarvan is vandaag een zwarte doos.

Wat loopt goed?

Er is een duidelijke structurele daling van emissies uit energie en industrie: van 40,7 Mton in 2011 naar 30,5 Mton in 2023 (figuur 1). Het aandeel Belgische bedrijven dat doelstellingen voor hun eigen broeikasgasemissies zet en opvolgt schommelde enkele jaren net onder de helft, maar sprong in 2025 naar ruim 60%. Het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix groeide gestaag, net als de jobs in de circulaire economie en hernieuwbare energie (figuur 2 en 3). Positieve signalen voor de circulaire economie zijn er ook in de praktijk: het hergebruik van spullen steeg licht, terwijl het aantal betaalde herstellingen verdubbelde op tien jaar tijd. De materialenvoetafdruk per inwoner daalde ten opzichte van 2012, wat wijst op een lichte ontkoppeling van materiaalgebruik en welvaart.

figuur 1

Figuur 2

Figuur 3

Wat kan beter?

De circulariteitsgraad stagneert. Ondanks de groei van circulaire bedrijfstakken nam de circulariteitsgraad van het materiaalgebruik, na een korte periode van groei, opnieuw af. In 2022 staat het weer op hetzelfde niveau als in 2014. De circulariteitsgraad van het materiaalgebruik (CMUR) is de verhouding van het circulair materiaalgebruik ten opzichte van het totaal materiaalgebruik.

Financiële stromen gaan nog steeds grotendeels naar het instandhouden van de koolstofintensieve industrie. De compensatie voor indirecte emissiekosten is een subsidieregeling waarbij de Vlaamse overheid een deel van de hogere elektriciteitsfactuur van energie‑intensieve bedrijven terugbetaalt, omdat in de stroomprijs ook de kosten voor CO₂‑uitstoot (via het emissiehandelssysteem) verrekend worden. Het doel is te voorkomen dat deze bedrijven omwille van die klimaatkosten hun productie verplaatsen naar landen met minder strenge regels. Toch bleek uit de evaluatie van deze subsidie dat de middelen niet duidelijk leidden tot duurzaamheidsinvesteringen, en bleek ook de verhuisdreiging loos. Een beperkte club van zo’n dertig bedrijven krijgt zo een gegarandeerde inkomstenstroom zonder sterke voorwaarden of toekomstgerichte investeringen. Mede door het grote aandeel van deze compensatie voor grote vervuilers droeg in 2023 slechts de helft van de 340 miljoen aan Vlaamse energiesubsidies voor de industrie bij aan defossilisering (figuur 4). Tegelijk crashten de subsidies voor de circulaire economie van 27 miljoen euro (2022) naar nauwelijks 7 miljoen euro (2023-2024), precies de omgekeerde beweging van wat de transitie vereist (figuur 5).

Werknemersinspraak en sociale dialoog staan onder druk. Na een topscore in 2018 scoort België intussen al enkele jaren matig op de Global Rights Index voor vakbonds- en werknemersrechten. Daarnaast zijn participatie en zeggenschap van werknemers in transitieplannen moeilijk te meten en onvoldoende structureel verankerd.

Na jarenlange stijging kende het aandeel hernieuwbare energie in 2024 voor het eerst een daling. Het nam licht af tot 10,3%, na een piek van 10,7% in 2023. Dat komt doordat het totale energiegebruik steeg met 4%, terwijl de hernieuwbare productie slechts 0,5% toenam. Het hogere totale energieverbruik is vooral toe te schrijven aan de industrie. We zijn daarmee nog ver verwijderd van de 33 procent energie uit hernieuwbare bronnen die we zouden moeten bereiken tegen 2030.

Figuur 4

Figuur 5

Welke info ontbreekt?


Groene opleidingen en omscholing worden niet structureel opgevolgd. We weten hoeveel jobs impact ondervinden door de klimaattransitie. We weten welk soort jobs, en in welke mate. Maar we weten niet welke opleidingen de juiste skills aanbieden om die werknemers in staat te stellen hun evoluerende job uit te oefenen. Laat staan dat we weten hoeveel en welke mensen jaarlijks deelnemen aan die opleidingen voor groene skills en groene omscholing. Dat is hoogstens versnipperde info die, alle strategieën voor levenslang leren ten spijt, geen coherent beeld geven op hoe de arbeidsmarkt mee evolueert met de transitie. Ook data over circulaire jobs op functieniveau, bij zelfstandigen, KMO’s en de brede “doenerseconomie” ontbreken grotendeels.

De mate en kwaliteit van werknemersparticipatie in transitieplannen van bedrijven blijft een black box. Als werknemers niet systematisch betrokken worden bij transitieplannen, dreigt de klimaattransitie vooral een top-down oefening van directies, consultants en overheid te blijven. Dat verlaagt de kwaliteit doordat praktijkkennis ontbreekt en vergroot het risico op weerstand en sociale ongelijkheid.

Beleidsaanbevelingen

  1. Heroriënteer financiële stromen weg van fossiele lock-ins en maak publieke steun doelgericht en gekoppeld aan heldere groene en sociale voorwaarden. Alle steun en stimuleringsmaatregelen voor industrie, fiscale voordelen, subsidies en infrastructuursteun, worden verbonden aan gerichte klimaatinvesteringen en sociale voorwaarden: kwaliteit van werk, sociale dialoog en geen verlies van collectieve rechten. Ook kleine bedrijven zonder financiële slagkracht moeten bovendien de overstap kunnen maken.
  2. Verplicht structurele werknemersinspraak in transitieplannen. Ondernemingen in koolstofintensieve sectoren worden verplicht om transitie- en investeringsplannen (in lijn met 1,5°C) in co-creatie met vakbonden en werknemersvertegenwoordigers op te stellen, met aandacht voor jobkwaliteit, omscholing en regionale verankering.
  3. Pleit voor het behoud van ETS, zonder het systeem te verzwakken. Het Europese emissiehandelssysteem is het meest effectieve klimaatinstrument dat Europa tot nu toe heeft ontwikkeld: het heeft de uitstoot in de Vlaamse ETS-sectoren al met 45% doen dalen en maakt van CO₂ een harde bedrijfseconomische kost die investeringsbeslissingen richting verduurzaming duwt. ETS en CBAM zorgen samen voor een eerlijk speelveld tussen Europese en niet-Europese bedrijven en creëren wereldwijd een prikkel om zelf koolstofbeprijzing in te voeren. De bestaande tekortkomingen (prijsvolatiliteit, te lange bescherming via gratis rechten en de sociale impact) vragen om gerichte hervorming en flankerend sociaal beleid, niet om afbouw of uitstel. Vlaanderen moet in crisistijden dus niet pleiten om ETS te verwateren, maar juist vragen om het te versterken en het systeem verdedigen als de hoeksteen van een competitieve klimaattransitie dat het is. 
  4. Investeer gericht in omscholing naar groene en circulaire jobs, met inclusieve toegang. De Roadmap Green Skills voor Vlaanderen is ontwikkeld in 2023 als high-level strategie met implementatieplan, maar werd nadien niet formeel verankerd in bindend beleid. Deze aanzet blijft momenteel een vrijwillige richtlijn zonder veel navolging. Tijd dus om de volgende stap te zetten. Ontwikkel samen met onderwijs, VDAB, sectorfondsen en sociale economie, een programma voor groene en circulaire competenties dat expliciet inzet op kwetsbare groepen: laaggeschoolden, mensen met migratieachtergrond en langdurig werkzoekenden. Volg systematisch op hoeveel en welke deelnemers deze opleidingen volgen. Meten is weten.

JUST TRANSITION SCAN 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

Een gezonde leefomgeving voor iedereen

> Download het rapport

Beeld: Atelier Stad Breda

Wat loopt goed?

De luchtkwaliteit maakte een enorme sprong voorwaarts: elke Vlaming verloor in 2023 gemiddeld 13 gezonde levensmaanden door blootstelling aan fijnstof, tegenover twee jaar in 2011 (figuur 1). Ook de verzekeringsgraad tegen natuur- en klimaatrampen is hoog. De bescherming tegen natuurrampen als overstromingen zit namelijk mee in de brandverzekering, en de dekkingsgraad daarvan ligt hoog in Vlaanderen, al bestaat er geen exact publiek cijfer. Door de wettelijke verplichting voor huurders sinds 2019 en de quasi-verplichting voor eigenaars met een hypothecair krediet (banken eisen meestal een brandverzekering) zijn bijna alle huurwoningen en de meeste eigendomswoningen verzekerd.


figuur 1

Wat kan beter?

Sociale gradiënten in gezondheid en leefomgeving blijven groot. Lage inkomens en lager opgeleiden rapporteren systematisch slechtere gezondheid en sterven vroeger. Zo lag het aantal verloren levensjaren (het aantal jaren dat mensen sterven voor de gemiddelde levensverwachting) in 2013 in de meest achtergestelde buurten 60% hoger dan in de meest welgestelde, om de jaren nadien nog te stijgen (met een piek van 84% tijdens covid) (figuur 2).

Figuur 2

Ongelijke blootstelling aan milieu- en klimaatrisico’s is hardnekkig. Kwetsbare groepen wonen vaker in warmere, meer verharde wijken met minder groen. In Gent en Antwerpen is het inkomen van inwoners van de 10% warmste wijken gemiddeld 21 procentpunt lager dan van inwoners van de koelste wijken. De tien rijkste gemeenten in Vlaanderen scoren dan weer gemiddeld 0,75 punt hoger op de 3-30-300 regel dan de tien armste. De 3-30-300‑regel houdt in dat iedereen vanuit haar/zijn huis minstens 3 bomen moet kunnen zien, dat minstens 30% van de buurt uit boomkroonoppervlak bestaat en dat er op maximaal 300 meter wandelafstand een kwalitatief groen gebied is. Het is een wetenschappelijk onderbouwde vuistregel die intussen wordt voorgesteld als nieuwe Vlaamse groennorm, maar de evolutie ervan wordt momenteel nog niet opgevolgd. Ten slotte is ook geluidsoverlast hardnekkig ongelijk verdeeld, met lage inkomens die structureel meer geluidshinder ervaren (figuur 3).

Figuur 3

De klimaatbeschermingskloof groeit. Het aandeel onverzekerde economische klimaatverliezen steeg van 66% in 2022 naar 75% in 2025. Steeds meer klimaatschade valt buiten het verzekeringssysteem. Naarmate de frequentie en intensiteit van klimaatrampen toeneemt, passen verzekeraars hun risicobeoordeling aan, met hogere premies of zelfs terugtrekking uit bepaalde markten als gevolg. Een waterbom op Vlaanderen zoals die in Wallonië in 2021 zou ruim € 8 miljard kosten, een bedrag dat verzekeraars niet kunnen dekken waardoor via overheden het merendeel op de belastingbetaler zou terechtkomen.

Figuur 4

Welke info ontbreekt?


Monitoring en data rond ruimtelijke sociale ongelijkheden zijn fragmentair. Luchtkwaliteit wordt vandaag nog te weinig systematisch gemonitord in relatie tot inkomen en andere socio-economische kwetsbaarheden. Bestaande studies tonen nochtans duidelijk een ongelijke blootstelling. Onderzoek naar de impact van lage‑emissiezones in Vlaanderen laat zien dat bewoners van buurten met een lager mediaaninkomen, meer huurders, hogere werkloosheid en een groter aandeel inwoners van niet‑Europese herkomst systematisch worden blootgesteld aan hogere concentraties luchtvervuiling. Ook journalistieke analyses onderstrepen dat luchtkwaliteit in België ongelijk is verdeeld: wie in wijken met slechtere lucht woont, moet vaker naar de dokter en woont vaker in kansarme buurten, terwijl schone lucht vaker voorkomt in welvarende wijken. Tegelijk tonen Brussel, Rotterdam en zeventien andere steden dat een snelle en forse verbetering van de luchtkwaliteit mogelijk is, op voorwaarde dat beleid de ongelijk verdeelde gezondheidswinst expliciet mee in rekening brengt. 

Participatie en erkenning in adaptatieplannen en omgevingsbeleid zijn zwarte gaten in de huidige monitoringsystemen. Momenteel volgt Vlaanderen geen indicatoren op rond de erkenning van (kwetsbare) groepen of procedurele rechtvaardigheid in overstromingsrisicobeheer of lokale adaptatieplannen. Ook het Vlaams adaptatieplan scoort matig.

Beleidsaanbevelingen

  1. Bouw een sociale rechtvaardigheidsreflex in in omgevingsbeleid en -projecten. Toets nieuwe adaptatiemaatregelen aan de verschillende dimensies van sociale rechtvaardigheid, bijvoorbeeld door bestaande toetsen zoals de watertoets uit te breiden. Veranker in Vlaams en lokaal beleid dat luchtkwaliteit, hitteblootstelling en toegang tot groen systematisch worden geanalyseerd naar inkomen, opleidingsniveau en huishoudtype. In de meest kwetsbare wijken is de impact van een toename in groen op gezondheid en welzijn groter. Deze buurten moeten dan ook prioritair in aanmerking komen voor investeringen.
  2. Ontwikkel minimumnormen voor rechtvaardige toegang tot groen en verkoeling. Adopteer de 3-30-300 regel als formele groennorm op Vlaams niveau en volg de evolutie ervan systematisch op. Leg streefwaarden vast (m² groen per inwoner, maximale hittestress) en koppel daar gerichte cofinanciering aan voor kwetsbare buurten.
  3. Verbeter participatie in omgevingsbeleid en -projecten. Onderzoek de mogelijkheden voor een participatiewetgeving om bewoners te betrekken bij grote ontwikkelingsprojecten in hun stad of wijk. Inspraak van kwetsbare groepen moet meer zijn dan window dressing.
  4. Integreer rechtvaardigheid in monitoring en evaluatie. Integreer een inkomenstoets voor nieuw beleid en ontwikkel indicatoren om de impact van adaptatiemaatregelen op verschillende bevolkingsgroepen te meten. Voer regelmatige evaluaties uit en stuur bij waar nodig.
  5. Bouw een Vlaams kennis- en ondersteuningspunt uit voor rechtvaardige klimaatadaptatie. Dit punt ondersteunt lokale besturen en sociale partners met data, methodiek en goede praktijken rond sociale gradiënten, gezondheidseffecten en participatie in adaptatiebeleid.
  6. Een betere luchtkwaliteit vergt doorgedreven keuzes qua mobiliteit, houtkachels en afbouw van de veestapel. Fijn stof blijft de belangrijkste milieu-gerelateerde doodsoorzaak in Vlaanderen, met duizenden vroegtijdige sterfgevallen en een verlies van gezonde levensjaren. Mobiliteit, met name wegverkeer, is een grote boosdoener. Een doorgedreven modal shift, betere ruimtelijke ordening en elektrificatie zijn de enige weg vooruit (zie 3.4 Mobiliteit). Daarnaast zijn houtkachels een onderschat probleem. De Vlaamse rapportering schort, zonder dat er een helder beleid voor de uitfasering van houtkachels op tafel ligt. Met een nieuwe energiecrisis voor de deur riskeert houtstook net als in 2022 een boost te krijgen, met nefaste luchtkwaliteit tot gevolg. Afbouw van de veestapel ten slotte is onvermijdelijk om ammoniakemissies structureel te verlagen. De effecten van deze gerichte acties moeten worden opgevolgd met fijnmazige monitoring en flankerend beleid ook kwetsbare groepen toegang te geven tot een gezondere leefomgeving.

Bronnen:

Met financiële steun van:

JUST TRANSITION SCAN 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

Betaalbare en groene mobiliteit voor iedereen

> Download het rapport

Beeld: Freepik

Mobiliteit is een basisvoorwaarde voor maatschappelijke participatie. Tegelijk is de transportsector in Vlaanderen een van de grootste bronnen van broeikasgasemissies, en na jaren daling stijgt de Belgische uitstoot van broeikasgassen opnieuw, door de Vlaamse industrie en verkeer. Er bestaat intussen wel een groeiende kennisbasis rond de sociale dimensies van mobiliteit, zoals modellen voor jobbereikbaarheid per inkomensgroep en onderzoek naar mobiliteitsarmoede.

Wat loopt goed?

Het aandeel duurzame verplaatsingen (te voet, fiets, openbaar vervoer) stijgt: van 30% in 2011 naar ruim 38% in 2024, wat wijst op een zekere modal shift weg van de privé-auto (figuur 1). Autopassagiers en taxi’s tellen we daarbij niet mee als duurzame vervoersmodi. De officiële Vlaamse statistieken uit het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG) maken geen onderscheid tussen echt carpoolen – waarbij passagiers regelmatig meerijden in een gedeelde auto voor woon-werk of andere herhalende trips – en niet-duurzame varianten zoals koppels die samen rijden of ouders die kinderen afzetten op kot. Zonder gedetailleerde opsplitsing per motief, relatie of herhalingspatroon riskeren deze categorieën het duurzaamheidsplaatje te vertekenen. Zo carpoolde in 2023 slechts 2% van de Vlamingen minstens elke week, maar gebeurde circa 9% van alle verplaatsingen wel als autopassagier.

figuur 1

Wat kan beter?

De weg naar onze klimaatdoelen is nog lang. De broeikasgasuitstoot van personenverkeer daalt te traag (figuur 2), die van de hele transportsector stijgt zelfs. Koning Auto zit sterker dan ooit op zijn troon. Voor elke twee Vlamingen toert er eentje rond, en die auto’s leggen met z’n allen steeds meer kilometers af. Waar het Vlaams Energie en Klimaatplan mikt op 4% minder gereden kilometers in 2030 dan in 2015, streeft het Luchtbeleidsplan naar 12% minder. Kleine reality check: de laatste drie jaar kwam er 10% bij.

Figuur 2


Elektrificatie is sociaal scheef. Ze loopt vooral via bedrijfs- en salariswagens naar hogere inkomens. Meer dan 80% van de loontrekkenden in het hoogste inkomenspercentiel ontvangt een salariswagen (figuur 3). In het laagste inkomensdeciel was dat een 7%. Op de tweedehandsmarkt, cruciaal voor lagere inkomens, zijn elektrische wagens nog amper aanwezig (4,6% in 2025) (figuur 4)

Figuur 3

Figuur 4


Salariswagens. Er valt nog weinig over te zeggen dat niet al grijs gedraaid is, maar de realiteit blijft dat hun aantal jaar na jaar toeneemt, het systeem miljarden kost en die centen vooral bij de hogere lonen terecht komen. Salariswagens leggen vervolgens meer kilometers af en zorgen voor extra uitstoot, met gevolgen die wel door iedereen worden gedeeld. De Vlaming betaalt dus eerst mee aan de massale autoverplaatsingen van een select clubje via de fiscale regeling en de infrastructuur, en daarna nog eens aan de eigen gezondheids‑ en klimaatkosten die daaruit voortvloeien.

Figuur 5


Toegang tot mobiliteit is ongelijk verdeeld. Vooral lage inkomens, mensen zonder rijbewijs en bewoners van slecht bereikbare regio’s hebben soms beperkte opties. Gezinnen met de laagste inkomens bezitten 34 procentpunt minder vaak een auto dan gemiddeld, en 25 procentpunt minder vaak een fiets (figuur 6). Openbaar vervoer wordt net afgebouwd waar alternatieven ontbreken: het aandeel van de bevolking nabij een OV-halte daalde van 57% in 2021 naar 52% in 2025.

Figuur 6

Welke info ontbreekt?


Mobiliteitsarmoede blijft een blinde vlek. Enkele losse studies geven inzicht in welke profielen het meest kwetsbaar zijn voor mobiliteitsarmoede, maar momenteel volgt niemand structureel op hoe mobiliteitsarmoede evolueert, noch welke impact beleidsmaatregelen daar op hebben. Dat zien we ook terug in de omschakeling naar basisbereikbaarheid bij De Lijn. De ingrijpende hervorming van het aanbod gebeurde zonder enig zicht te hebben op de impact ervan op mobiliteitsarmoede, en ook nu nog is het blind varen.

Hetzelfde geldt voor de bereikbaarheid van woningen. De mobiscore zou in theorie kunnen opvolgen hoe de nabijheid van voorzieningen en openbaar vervoer door de tijd evolueert. Momenteel is het echter een relatieve maat, bedoeld om verschillende locaties op eenzelfde moment met elkaar te vergelijken. Elke actualisatie wordt de Mobiscore opnieuw gekalibreerd, waardoor het geen uitspraken kan doen over hoe één locatie evolueert op vlak van kernverdichting of toegang tot openbaar vervoer. Ook de inkomensverdeling van bewoners van woningen op goed gelegen locaties wordt niet structureel opgevolgd in Vlaanderen, hoewel meermaals werd aangetoond dat goed gelegen locaties ook de duurste zijn, wat het risico inhoudt dat kwetsbare groepen naar de slechtste locaties worden geduwd.

Beleidsaanbevelingen

  1. Socialiseer de elektrificatie van mobiliteit. Beperk de regressieve impact van salariswagens en fiscale stimuli die vooral hogere inkomens bereiken. Verschuif steun naar deelmobiliteit, elektrische fietsen en openbaar vervoer, met prioriteit voor lage inkomens en slecht bereikbare regio’s. Met de broodnodige taks shift en het emissiehandelssysteem ETS2 voor de deur, is het cruciaal om elektrische mobiliteit voor kwetsbare autoafhankelijke gezinnen toegankelijk te maken.
  2. Verbind kernversterking met betaalbare en toegankelijke mobiliteit. Koppel woon- en ruimtelijk ordeningsbeleid aan bereikbaarheidsindicatoren en stuur actief op kernversterking die kwetsbare groepen betere toegang geeft tot werk, zorg en diensten. Dat vergt ook proactief beleid voor betaalbaar wonen op goed gelegen locaties.
  3. Ontwikkel een systematische indicator voor mobiliteitsarmoede op Vlaams niveau als basis voor gericht beleid.
  4. Voer een slimme kilometerheffing in. De maatschappelijke kosten van autoverkeer moeten beter weerspiegeld worden. Een slimme kilometerheffing is een breed gedragen maatregel die daarbij kan helpen, mits de nodige sociale correcties. De prijs die de gebruiker betaalt, moet rekening houden met de draagkracht, de behoeften en de alternatieven van de gebruiker. Maak in de eerste plaats het onderzoek dat al gebeurde publiek en betrek vervolgens de sociale partners om tot een optimale kilometerheffing te komen.
  5. Blijf investeren in openbaar vervoer. Een goed uitgebouwd openbaar vervoer is zowel een basisdienst als een sleutelstuk in de mobiliteitstransitie. De huidige besparingscultus op De Lijn druist daar lijnrecht tegen in. Een discussie over € 35,5 miljoen besparing in 2026 maakt een groot verschil in het aanbod van De Lijn, maar maakt nog geen deuk in de mobiliteitsmiddelen die Vlaanderen uitgeeft. Om het openbaar vervoer ooit echt te laten concurreren met de auto, moet zowel de efficiëntie van drukbezette lijnen verbeteren (de huidige Vlaamse focus), als kleinere kernen genoeg bediend worden. Dat vergt per definitie voldoende middelen, maar levert vooral ook grote duurzame en sociale winsten op. 

Bronnen:

Met financiële steun van:

JUST TRANSITION SCAN 2026

Welvaart anders bekeken: de Vlaamse donut als kompas

Eerlijk klimaatbeleid geen prioriteit voor gros Vlaamse partijen

Een ambitieus en rechtvaardig klimaatbeleid is hoogdringend, maar niet in alle verkiezingsprogramma’s terug te vinden. Dat blijkt uit een onderzoek van Reset.Vlaanderen, dat de verkiezingsprogramma’s van de Vlaamse partijen doorlichtte voor thema’s als wonen, energie en mobiliteit.