Tijdens een ontmoetingsmoment met de Nederlandse econoom en auteur Paul Schenderling ging een twintigtal mensen uit het middenveld in gesprek over de vraag hoe we een eerlijke en duurzame economie kunnen bouwen. Met veel ruimte voor vragen, twijfel en tegenspraak.
Over Paul Schenderling
Paul Schenderling is econoom, adviseur, schrijver en key-note spreker. Hij is medeoprichter en bestuurder van Postgroei Nederland, een groeiende beweging met als missie: een gelukkiger Nederland dat binnen de draagkracht van mens en aarde leeft. Hij verwierf landelijke bekendheid met onder andere de bestseller Er is leven na de groei, zijn boek Continent van de Kwaliteit, de podcast Leven na de groei en de Just Enough Productwijzer. De beweging eindigde in 2024 op plek 17 in de Trouw Duurzame 100. Meer info vind je hier.

De centrale vraag die boven het gesprek hing: hoe bouwen we een toekomstcoalitie tegen de race naar de bodem? Een coalitie die sociale rechtvaardigheid, klimaat en democratie samenbrengt, in plaats van tegen elkaar uit te spelen. Schenderling bracht daarbij zijn kernconcept mee: kwalitatieve groei als alternatief voor eindeloze kwantitatieve groei.
Hij vertrekt vanuit een ongemakkelijke vaststelling. Onze welvaart in het globale noorden is gebouwd op twee vormen van onrecht: uitbuiting in het globale zuiden en ecologische schade die vooral daar neerkomt. Toch is zijn verhaal geen stortvloed aan schuldgevoel, maar een uitnodiging: durven we het economische verhaal opnieuw schrijven, niet langer “meer” maar “beter”?
Kwalitatieve groei als basis van een toekomstcoalitie
Voor Schenderling is kwalitatieve groei de kern van een ander economisch verhaal. Niet langer focussen op “meer produceren en meer consumeren”, maar op de kwaliteit van producten, arbeid, leven en leefomgeving.
Denk aan producten die langer meegaan in plaats van snel kapot te gaan, jobs die zekerheid en waardigheid bieden, een leefomgeving waar gezondheid en rust even belangrijk zijn als bedrijvigheid. Het is een verschuiving van “groei in volume” naar “groei in kwaliteit”.
Om uit te leggen waarom dat nodig is, verwijst hij naar de Jevons-paradox. Als we technologie efficiënter maken binnen een groeilogica, leidt dat vaak tot méér gebruik en méér consumptie: de besparing wordt deels opnieuw uitgegeven. Zo wordt een groot deel van de milieuwinst weer tenietgedaan. Efficiëntere auto’s, toestellen of productieprocessen leveren in theorie winst op, maar zolang de volumeknop op “groei” blijft staan, blijft het volgens Schenderling dweilen met de kraan open.
Daarmee neemt hij afstand van het klassieke beeld dat we maar twee opties hebben: óf blind blijven groeien, óf krimpen en inleveren. In zijn postgroeiverhaal pleit hij ervoor de alle energie te steken in herverdeling en verbetering: eerlijker verdelen wat we al produceren, en de kwaliteit ervan optrekken. Dan wordt efficiëntie een bondgenoot, in plaats van een bron van extra volume.
In Nederland probeert Schenderling rond die idee van kwalitatieve groei actief een toekomstcoalitie op te bouwen. Hij brengt mensen samen uit zeer verschillende hoeken: werkgeversorganisaties, milieubeweging, arbeidersbeweging, kerken, politici van uiteenlopende partijen. Zijn ervaring: als je het gesprek niet enkel voert over “minder”, maar ook over beter – betere banen, betere producten, betere leefomgeving – ontstaat er verrassend veel gemeenschappelijk terrein.

© Thijs Calu
Handel en grenzen: spelregels voor eerlijke globalisering
Een tweede grote lijn in Schenderlings betoog is dat de huidige vorm van globalisering, wat hij met econoom Dani Rodrik “hyperglobalisering” noemt, fundamenteel oneerlijk is. Goederen, diensten en kapitaal bewegen vrij over de wereld, maar democratische normen over arbeids- en milieustandaarden blijven achter.
Concreet betekent dat dat Europese bedrijven moeten produceren volgens relatief hoge sociale en milieunormen, en een geloofwaardig klimaatplan – dat door de Omnibuswetgeving weliswaar is afgezwakt doordat de implementatieverplichting wegvalt. Bedrijven die buiten de EU produceren en naar hier exporteren, hebben veel minder verplichtingen. Vaak geldt enkel het verbod op dwangarbeid, zelfs kinderarbeid wordt niet overal effectief uitgesloten.
Het gevolg is een race naar de bodem: werknemers in het globale zuiden krijgen structureel te lage lonen en werken onder slechte omstandigheden. Kmo’s en industriële bedrijven in Europa worden weggeconcurreerd door spelers die produceren aan veel lagere standaarden. Klimaatbeleid verliest slagkracht omdat productie eenvoudigweg wordt verplaatst.
Schenderling stelt daarom een duidelijke breuk voor: we moeten onze normen aan de grens handhaven. Dat kan via grensheffingen en harde minimumeisen in handelsakkoorden, bijvoorbeeld rond leefbare lonen in de keten en het volgen van het klimaatakkoord van Parijs.
Belangrijk in zijn verhaal: de opbrengsten van zulke grensheffingen moeten terugvloeien naar mensen met lage inkomens, in de vorm van wat hij een kwaliteitsdividend noemt. Zo kunnen ook zij zich kwalitatief betere, en dus vaak duurzamere, producten veroorloven. Sociale en ecologische doelen worden zo verzoend in plaats van tegenover elkaar gezet.
“We zijn allemaal werkgever van twee mensen in het globale zuiden”
Paul Schenderling
Een van de beelden die in het gesprek het meest bleef hangen, is hoe Schenderling onze relatie met het globale zuiden omschrijft. Hij heeft uitgerekend dat er voor onze consumptie in het noorden miljoenen mensen in het globale zuiden werken. Omgerekend betekent dat ongeveer dat twee mensen in het globale zuiden fulltime werken voor de consumptie van één burger hier.
“U bent ook werkgever”, zegt hij graag tegen zijn publiek. Niet alleen werkgever van eventuele medewerkers hier, maar ook van die twee mensen in het zuiden die onze kleren naaien, onze elektronica assembleren, onze koffie plukken.
Dat beeld maakt iets los. Het haalt de abstractie uit de ketens. Schenderling gebruikt daarbij een eenvoudige vergelijking: wat als de glazenwasser bij je thuis zou aanbellen, en je hem zou betalen wat iemand in een sweatshop verdient? “Je zou hem niet in de ogen kunnen kijken.”
Die omkering, van anonieme consument naar werkgever met verantwoordelijkheid, opent tegelijk een morele én een politieke vraag: welke standaarden leggen wij op voor het werk dat “in onze naam” gebeurt? En welke spelregels eisen we via beleid en handel om die standaarden af te dwingen?
Frames, wiggen en de strijd om het verhaal
Veel vragen uit de groep gingen over politieke onwil, kortetermijndenken en angst: bij politici, maar ook bij burgers en werknemers. Mensen maken zich zorgen over jobs, koopkracht, pensioenen. Klimaat en mondiale rechtvaardigheid lijken dan vaak bijzaak, of zelfs bedreigend.
Schenderlings antwoord: er is meer aan de hand dan onwetendheid. De status quo wordt actief verdedigd met sterke frames, zoals:
“Als Europa strengere normen oplegt, leveren landen in het zuiden simpelweg niet meer en verplaatsen ze hun afzetmarkt naar landen als China of de VS.”
“Eisen uit Europa zijn paternalistisch, het zuiden wil dat niet.”
“Klimaatbeleid kost jobs, industrie en sociale zekerheid.”
Volgens hem is het niet genoeg om daar met nog meer redelijke argumenten tegenover te gaan staan. Idealistische bewegingen zoals de milieubeweging, vakbonden, de Noord-Zuidbeweging, … moeten leren om deze frames expliciet te ontmaskeren én eigen tegenframes te bouwen.
Enkele elementen uit zijn strategie:
- Breek valse wiggen open: niet klimaat versus jobs, maar samen opkomen tegen oneerlijke concurrentie en lage standaarden; niet Europa versus het globale zuiden, maar arbeiders in Noord én Zuid met een gedeeld belang.
- Plaats nieuwe, doelbewuste wiggen waar ze wél thuishoren: tussen kleine en middelgrote bedrijven enerzijds en grote multinationals anderzijds. Kmo’s zijn niet gebaat bij de race naar de bodem: ze zijn er het slachtoffer van.
- Geef ideeën een nieuwe vlag zonder beladen associaties. “Kwalitatieve groei” werkt beter dan “degrowth”. Dat opent ruimte voor gesprek met een breder publiek, ook met meer conservatieve of sceptische stemmen.
- Spreek mensen aan in al hun rollen: niet alleen als consument, maar ook als werknemer, (indirecte) werkgever, burger en (toekomstige) grootouder.
Zo worden niet alleen beleidsvoorstellen belangrijk, maar ook het verhaal dat we eromheen bouwen. Een toekomstcoalitie vraagt om gedeelde taal.
Een uitnodiging aan het Vlaamse middenveld
Veel elementen van Schenderlings verhaal klinken herkenbaar: de druk op kmo’s, de afbouw van subsidies voor het middenveld, de onzekerheid bij werknemers over jobs en betaalbaarheid, … .
De ontmoeting met Paul Schenderling liet zien dat er een ander economisch verhaal mogelijk is, én dat dat verhaal niet per se botst met het dagelijks leven van gewone mensen. Integendeel: kwalitatieve groei, eerlijke handel en een stevige “foundational economy” – een economie die eerst de basisvoorzieningen veilig stelt, zoals wonen, zorg, energie, mobiliteit en voeding – bieden net meer zekerheid aan wie vandaag de meeste angst voelt.In Nederland bouwt Schenderling stap voor stap aan een toekomstcoalitie rond dat verhaal. De open vraag waarmee we het gesprek verlieten, geldt ook breder voor Vlaanderen: met wie bouwen wij hier een toekomstcoalitie tegen de race naar de bodem, en welke nieuwe taal durven we daarbij gebruiken?
